Als ik doodga -en dat gebeurt, daar ontkomt niemand aan- hoop ik dat niemand zijn best doet om dat allemaal volgens een protocol te doen.
Als ik doodga, wil ik niet dat er gefluisterd wordt.
Dat er gewone zinnen klinken in gewone mensentaal. Dat iemand zegt: “Je gaat dood.”
Ik wil geen eufemismen. Geen omwegen. Ik wil niet horen dat ik ga “inslapen” of dat dit “mijn laatste reis” is.
Zachtere taal doet de pijn niet verdwijnen. Eerlijkheid doet dat wel.
Als ik doodga, hoeft niemand dapper te zijn.
Mijn kinderen niet. Andere geliefden niet. Ikzelf ook niet.
Dapperheid is overschat. Kwetsbaarheid is juist onderschat.
Er mag gehuild worden, geschreeuwd, gezwegen.
En vooral gelachen. Om alle stomme dingen die ik heb gedaan. Om de typische verhalen die altijd weer verteld worden.
Als ik doodga, wil ik dat iemand naast me komt zitten.
Niet verkrampt of bang. Gewoon naast me. Op de rand van het bed of waar dan ook.
Niet iemand die in het regelen of oplossen schiet, maar gewoon iemand die blijft. Juist wanneer er niets meer te doen valt.
Ik weet precies hoe die laatste dagen eruit kunnen zien.
Ik heb zowel kamers vol liefde als ook kamers vol stilte gezien.
Ik heb gezien dat het lichaam langzaam zijn taal verliest. Dat woorden verdwijnen.
En als ik mezelf onderweg kwijtraak, hoop ik dat iemand me vindt.
Als ik doodga, hoop ik dat niemand haast voelt.
Ik hoop dat ze niet gaan tellen in uren of dagen. Niet gaan trekken aan dokters of verpleegkundigen of het echt niet sneller kan. Niet gaan denken: ‘het zou nu toch wel een keertje mogen’.
Sterven heeft zijn eigen tempo.
Het laat zich niet duwen of versnellen.
Koop dan een goede fles wijn zou ik de omstanders willen zeggen en proost.
Als ik doodga, hoop ik dat iemand me blijft aanraken.
Ik heb zo vaak de ongekende waarde van aanraking gezien.
Gewoon om te zeggen: jij bent er nog, maar ík ook.
Ook als woorden weggevallen zijn. Ook als ik niets meer terug kan geven.
Als ik doodga, wil ik dat niemand denkt dat zij het verkeerd heeft gedaan.
Geen eindeloos “Hadden we…?”
We hadden niets.
We hadden elkaar.
Dat was genoeg.
Ik hoef geen perfecte laatste woorden.
Ik hoef geen zorgvuldig gecomponeerde slotzin.
Het leven is zelden rond. De dood maakt het niet opeens literair kloppend.
Soms eindigt een verhaal midden in een zin.
Soms op een woensdag.
Soms zonder dat je er klaar voor was.
Als ik doodga, laat het leven dan tot het einde gewoon leven zijn.
En als het stil wordt,
laat het dan stil zijn.
Omdat het genoeg was!
Anke, dank je voor alles, rust zacht….